Huidige knelpunten bij implementatie van wetsvoorstel ‘Toegang Wlz voor mensen met een psychische stoornis’

Logo 2eKamerPer Saldo en RPSW zijn gevraagd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport input te geven voor een overzicht te van knelpunten die zoal voorbij komt m.b.t. de verwachte doelgroep van het wetsvoorstel ‘Toegang Wlz voor mensen met een psychische stoornis’ dat nu bij de Tweede Kamer ligt.

Hieronder een overzicht die aan het ministerie is gestuurd.

 

Huidige knelpunten doelgroep overgang Wlz-GGZ

Knelpunten Wmo voor implementatieplan toelating GGZ tot Wlz en knelpunten bij de zorgverlening aan cliënten met een persoonsgebonden budget(pgb) die vanaf 2021 een beroep kunnen doen op de Wlz. Maar ook voor degenen die niet zullen/kunnen instromen

  1. Overgangsrecht

Wij zijn blij dat voor de doelgroep die gebruikt maakt van het vijfjarige overgangsrecht AWBZ/Wmo (op 31 december 2014 had deze doelgroep een GGZ-C pakket zonder behandeling), het overgangsrecht wordt verlengd tot 2021. Wij krijgen nu al signalen van gemeenten die dit niet goed in beeld hebben en nog altijd de boodschap communiceren (en hier ook naar handelen) dat overgangsrecht afloopt. Daarbij komt dat het overgangsrecht ook eindigt als je een nieuw aanbod krijgt van de gemeente en deze accepteert. We moeten zien te voorkomen dat gemeenten hier op aan gaan sturen, nu het maar om een korte termijn gaat voor deze mensen over kunnen naar de Wlz. Twee keer een indicatie aanvragen is dubbel werk.

Daarnaast speelt het probleem van mensen voor wie het overgangsrecht eerder afloopt en zij dus toch eerste een WMO/Jw-indicatie moeten aanvragen voor bijvoorbeeld een jaar voor ze naar de Wlz kunnen. Administratief dubbel werk moet hier zoveel mogelijk worden voorkomen.

Zie hierover ook punt 9.

  1. Overgang 18+/18-

Echter, naast de doelgroep waarbij het overgangsrecht afloopt moet ook rekening worden gehouden met jeugdigen met een GGZ-aandoening die 18 jaar worden. Door het bereiken van de leeftijd van 18 jaar loopt de indicatie voor de Jeugdwet af en moet een indicatie voor de Wmo worden verkregen. De groep van jeugdigen met GGZ-problematiek waarbij de Jeugdwet indicatie afloopt door het enkel bereiken van de leeftijd van 18 jaar, kunnen te maken krijgen met een herbeoordeling voor de Wmo en vervolgens, door de openstelling van de Wlz, wederom met een herbeoordeling voor de Wlz. Wij stellen voor om de indicatie voor de Jeugdwet te verlengen tot de jeugdige kan instromen in de Wlz. Een andere optie is de Jeugdwet indicatie één-op-één over te zetten naar een indicatie voor de Wmo totdat de jeugdige kan instromen in de Wlz.

In aanvulling op bovenstaande is het van belang dat bij de omzetting van Wmo/Jeugdwet naar Wlz gegevens die reeds zijn goedgekeurd zoveel mogelijk moeten worden overgenomen door het zorgkantoor. Dit zorgt voor een administratieve lastenverlichting en voor continuïteit van zorg. De indicaties moeten op elkaar aansluiten zodat een gat in de zorg wordt voorkomen.

  1. Behandeling naar de Wlz

Op 7 maart jl. heeft Zorginstituut Nederland geadviseerd dat het advies van 27 september jl. over de positionering van behandeling en aanvullende zorgvormen in de Wlz ook van toepassing is op de nieuwe GGZ-doelgroep die toegelaten gaat worden tot de Wlz. Voor pgb gaat dit niet gelden. Daar zal behandeling apart blijven. Dit moet goed in beeld zijn.

  1. Zelfde regime als groep uit AWBZ

Behandel budgethouders met GGZ-problematiek die op 1 januari 2015 vanuit de AWBZ zijn uitgestroomd naar de gemeenten en de zorgverzekeraar, en nu door de wetswijziging weer ‘terugkeren’, als ‘oude’ budgethouder. Hierdoor vallen zij onder het oude regime met dezelfde voorwaarden en regels als de rest van de groep die gelijk naar de Wlz is gestroomd. Het is onrechtvaardig om deze groep aan te merken als ‘nieuwe’ budgethouders terwijl zij, als de GGZ-grondslag gelijk was opgenomen, direct van de AWBZ naar Wlz hadden kunnen stromen. Eerder is dit ook mogelijk gemaakt voor budgethouders die in 2015 en 2016 zijn teruggekeerd naar de Wlz (art. 9.13 Regeling langdurige zorg). 

  1. Kortdurende indicaties in Wmo

Indicaties van een half jaar tot een jaar, m.u.v. mensen met overgangsrecht tot 31-12-2019 (verlengd tot 31-12-2020).
Een herindicatie moet men 2 tot 3 maanden voor afloop van de lopende indicatie aanvragen. Dat betekent bij een indicatie van 6 maanden dat men na 3 maanden opnieuw weer contact moet zoeken met de gemeente voor een herindicatie. Zie ook punt 9.

  1. Dalende en ontoereikende tarieven

Deels omdat men onderschat welke expertise nodig is om deze doelgroep te begeleiden en men daardoor van te laag geschoold personeel uitgaat. Er wordt geen of onvoldoende rekening gehouden met de loonsverhogingen in de zorg. De werkwijze en tarieven van gemeenten verschillen onderling enorm. De zorgvraag staat niet centraal maar “producten”/ ”arrangementen” met strikte omschrijvingen. Aan die producten zijn pgb tarieven gekoppeld. Deze tarieven dalen continu. Ook in relatie tot het overgangsrecht zien wij dat daar bijvoorbeeld in Eindhoven en Amersfoort “herindicaties” plaatsvinden. Kreeg men in de regio Eindhoven bijvoorbeeld op basis van het overgangsrecht met een ZZP 4 C een maandbedrag van € 3.210 (excl. Woontoeslag van € 333,33) dan wordt dat per 1 april a.s. verlaagd naar € 2.600 inclusief woontoeslag voor mensen die in Eindhoven in een ouderinitiatief wonen. En naar € 1.740,84 indien men  niet in een ouderinitiatief  woont maar wel zorg krijgt van een professionele zorginstelling. Voor deze bedragen wordt men wel geacht 24 uurszorg te kunnen krijgen. Kortom de bedragen die onverkort van uit de AWBZ zijn gestort in het gemeentefonds zijn feitelijk bevroren en niet geïndiceerd terwijl in de tussen tijd volgens de NZA/CPB indexcijfers voor de loonkosten in de zorg zijn gestegen[1]. Bij zorginkoop wordt men daarom geconfronteerd met hogere tarieven en kan men daar minder zorg voor inkopen.

  1. Ontbreken van kennis over doelgroep

Bij indicerende ambtenaren: psychische stoornis gaat niet over. Overschatting bewoners en onderschatting ondersteuningsbehoefte. Er wordt willekeur ervaren.

  1. Constante druk op uitstroom

Uitstroom beschermd wonen naar ambulante begeleiding om financiële redenen (tekorten Sociaal Domein) en omdat verwacht wordt dat herstel en participatie dat mogelijk maken. Het chronisch karakter van een stoornis, zoals bijvoorbeeld autisme, wordt daarbij niet serieus genomen.

  1. Onzekerheid/stress over continuïteit van de zorg

Er worden ook veel fouten gemaakt in beschikkingen. Bijvoorbeeld gespreksverslagen worden niet standaard verstrekt. Bezwaarprocedures zijn nodig om fouten te herstellen cq. een pgb te krijgen waarmee passende zorg kan worden ingekocht. Gemeenten verpakken de door hen toegekende zorg in producten, die niet op de zorgvraag maar op de financiële armslag van de gemeente zijn gebaseerd.  Daarbij veranderen ze als het hen uitkomt de  “producten”, d.w.z. de omschrijving van welke zorg geleverd moeten worden. Daar waar bij een bepaald tarief 24 uurszorg in de nabijheid (op afroep in de nachtelijke uren) voldoende was, wordt zonder opgaaf van redenen het product gewijzigd en moet men 24 uur toezicht (iemand ter plaatse) leveren om hetzelfde pgb te houden, dus de facto zonder dat daarvoor de financiële middelen aanwezig zijn. Er wordt daarnaast een  voor de gemeente goedkoper product ingevoerd voor het leveren van zorg in de nabijheid. Dat betekent dat er dan binnen een ouderinitiatief minder uren zorg kunnen worden geleverd, terwijl de zorgbehoefte niet is gewijzigd.

Een ander knelpunt is, dat beschikkingen niet worden gemotiveerd. Er wordt b.v. in de beschikking voor herindicatie een lager pgb verstrekt, waarmee minder zorg kan worden ingekocht, terwijl in het keukentafelgesprek is aangegeven dat de zorgbehoefte onveranderd is. Dit zonder verdere motivatie.

Onduidelijke en ontijdige communicatie over wijzigingen. Er wordt regelmatig tegenstrijdige informatie verstrekt door beleidsmedewerkers van de gemeente over het beleid. De generalisten (die de keukentafelgesprekken voeren) zijn vaak niet goed op de hoogte en zorgen dan ook voor ruis. Het hele indicatieproces verloopt nogal chaotisch en veroorzaakt daarmee veel stress bij de kwetsbare mensen om wie het gaat. Zij hebben ondersteuning nodig van verwanten of bijvoorbeeld vanuit het bestuur van het ouderinitiatief. Van die vrijwilligers wordt verwacht dat zij de veranderingen wel kunnen volgen en begrijpen, daarop kunnen inspelen en in de keukentafelgesprekken ondersteuning kunnen bieden en de taal van de generalist spreken. Dat vraagt dat men de kennis en tijd heeft om zich in de materie te verdiepen. Dit is niet iets dat de overheid kan en mag verwachten van mensen die vaak een baan hebben en een gezin en al mantelzorger zijn voor de verwant om wie het gaat.
Deze procedurele wanorde kost onevenredig veel tijd, die beter aan het desbetreffende familielid op een andere manier kan worden besteed. En voor besturen: tijd die men aan de kwaliteit van de zorg en het welbevinden van de bewoners kan besteden.

Overgangsrecht: In de brief van de VNG van 18 oktober 2018 over overgangsrecht staat, dat alle bewoners met een overgangsrecht tot 1-1-2020 een brief moeten krijgen dat hun indicatie wordt verlengd met een jaar tot 1-1-2021. In de praktijk blijkt dat gemeenten van mening zijn dat mensen met een pgb een herindicatie moeten krijgen.

Dit is in strijd met hetgeen staat op https://www.informatielangdurigezorg.nl/overgangsrechten/beschermd-wonen:
Tijdens het overgangsrecht houdt u recht op de zorg die in uw AWBZ-indicatie staat (beschermd wonen met bijbehorende ondersteuning). Voor beschermd wonen kan het overgangsrecht tot 1-1-2021 duren. Maar het overgangsrecht kan voor u al eerder stoppen. Namelijk als:
De einddatum op uw AWBZ-indicatie vóór 1-1-2021 is.
U een nieuw aanbod krijgt van uw gemeente, en u daarmee akkoord gaat.

NB een indicatie betekent niet dat men recht heeft op een pgb vanuit de AWBZ maar het moet wel passen bij de zorgvraag. De (AWBZ) indicatie is uitgangspunt voor het bepalen van de indicatie tenzij men akkoord gaat met een ander product/arrangement.

  1. Ouderinitiatieven worden in hun bestaan bedreigd

Door de dalende tarieven en omdat ze daardoor de vereiste zorg aan hun bewoners niet meer kunnen leveren. Bij de indicaties wordt gekeken naar individuele persoon en niet naar zijn of haar  behoefte aan 24 uur ondersteuning (nabijheid/toezicht). Het feit dat er 24 uur per dag een beroep gedaan kan worden op zorg (planbaar en onplanbaar) wordt niet meegenomen. Het grotendeels voor de buitenstaander onzichtbare vangnet voorkomt dat de bewoner valt en wanneer hem of haar de mogelijkheid zo beschermd te wonen wegvalt zal de druk op andere delen van de zorg toenemen en komen er nog meer verwarde mensen op straat.

Een voorbeeld: iemand heeft 2 keer in de week op vaste momenten een uur begeleiding maar heeft daarnaast op niet geplande momenten vele malen contact met begeleiding. Er zijn dan gevallen bekend, waarin door de gemeente wordt aangegeven dat 4 tot 6 uur begeleiding voldoende is. Dat heeft tot gevolg dat men niet meer onder beschermd wonen valt.

Een tweede voorbeeld: in een initiatief zijn 7 personen omgezet van beschermd wonen naar ambulante begeleiding met onmiddellijke ingang (eerder was aangegeven dat er altijd een overgangstermijn van 2 maanden zou worden gehanteerd) dat betekent van 10 tot 12 uur begeleiding naar 1,5 uur begeleiding per week.  Bovendien geleden de beschikkingen voor een periode van 6 maanden afgegeven. Een motivatie werd ook hier niet gegeven. Nadat het bestuur van het ouderinitiatief aan de bel trok,  is toegezegd om al deze gevallen opnieuw te bekijken. Intussen zijn de inkomsten teruggelopen. Dit heeft natuurlijk ook consequenties voor de andere bewoners, die  wel 24 uurszorg nodig hebben, omdat er een ander rooster moet worden gemaakt met minder uren zorg. Op die manier krijgt uiteindelijk geen van die bewoners de zorg, die zij nodig hebben.

Ouderinitiatieven worden ook geconfronteerd met het feit dat veel gemeenten geen regeling à la de wooninitiatieventoeslag (meer) kennen. Dit maakt het lastig de voor de bewoners essentiële component van het elkaar en de begeleiding ontmoeten in een gezamenlijke ruimte te laten voortbestaan.

  1. Bestedingsvrijheid totale budget

Dagbesteding en individuele begeleiding ontbreekt.  Als een bewoner (WMO) zijn dagbesteding verliest (bijv. omdat die omgeving toch te prikkelrijk is en er is niet onmiddellijk een alternatief voorhanden) dan is de redenering: geen dagbesteding èn dus geen budget daarvoor nodig. De redenering zou moeten zijn: dagbesteding vervalt èn begeleidingsbehoefte stijgt. Het dagbestedingsbudget zou voor de extra begeleiding èn het zoeken naar een wel passende dagbesteding ingezet moeten kunnen worden om terugval te voorkomen. Het aanwenden van het dagbestedingsbudget voor (extra) persoonlijke begeleiding mag nu niet. Als bij de herindicatie blijkt dat dit budget (nog) niet aangewend is, wordt het vervolgens ook niet meer toegekend.

  1. Mensen die niet in staat zijn om in een collectief te wonen

Mensen die niet in staat zijn om in een collectief te wonen (instelling, woon/of ouderinitiatief etc.), dreigen tussen wal en schip te vallen. Zij voldoen niet aan de criteria van beschermd wonen.

  1. Kloof tussen het intensieve aanbod

Er is een kloof tussen het intensieve aanbod vanuit beschermd wonen en de lichtere vormen van (ambulante) begeleiding. Niet alle personen met een psychische stoornis zullen doorstromen naar de Wlz. Voor hen moet er wel een mogelijkheid blijven om langdurig zorg te ontvangen vanuit de Wmo.

  1. Overige punten
  • Meer onterechte doorverwijzingen naar Wlz, hoe wordt dat voorkomen?
  • Mensen die zich niet bewust zijn van hun GGZ indicatie vanuit de AWBZ, door nieuwe indicaties vanuit de gemeente, hoe worden die bereikt?
  • Is er kans op mindering van budget bij het overgaan naar de WLZ? Zo ja; hoe vangen mensen dat op? Je kunt niet kiezen op welke wet je aanspraak maakt, is er dan weer sprake van een overgangsrecht of iets dergelijks? Als dat niet het geval is, bestaat de kans dat mensen met hun nieuwe indicatie in de Wlz niet beschermd kunnen wonen in de instelling waar zij tot dan toe verbleven.

Conclusie

De gemeenten onttrekken zich aan hun verantwoordelijkheid om goede zorg te doen verlenen aan kwetsbare inwoners met een chronische zorgbehoefte. Zij trekken rookgordijnen op, besteden veel tijd en menskracht aan procedures en producten en komen zo niet tot de kern van hun opdracht. Welwillende ambtenaren worden niet door de politiek gesteund en kunnen toezeggingen dan niet waarmaken. De mens staat niet centraal maar het politieke spel. Gemeenten hebben zich verkeken op wat de transitie inhoudt en nemen onvoldoende hun verantwoordelijkheid.  Dat wil zeggen dat zij ook deze doelgroep en hun chronische problematiek serieus nemen. Het is te hopen dat mensen die niet voldoen aan de criteria voor toelating tot de Wlz toch adequate zorg kunnen krijgen. Dat vergt dat gemeenten inzien dat daar een taak ligt.

Voorbeelden
Ad 5, 6, 9 en 10:
Vanuit de praktijk van een ouderinitiatief met de Centrumgemeente Amersfoort. Deze gemeente, zoals ook sommige andere gemeenten, heeft in 2018 het zgn. 3-arrangementenregiem voor BW, zgn. licht, middel en zwaar ingevoerd. Het middelste arrangement zou bij een deel van onze bewoners qua zorgzwaarte goed passen. Ware het niet dat ze aan dit arrangement de eis van 24-uurszorg (met slaapwacht) hebben gekoppeld. Dit bieden wij niet en is ook niet nodig, want we hebben wel achterwacht en de bekende 24-uurs opvang in nabijheid (van ouders). Wij – het ouderinitiatief- hebben ons hier begin 2018 in een brandbrief naar de gemeentepolitiek fel tegen verzet en met succes. Met als conclusie dat voor onze ouderinitiatieven vanaf 2019 ‘maatwerk’  zou worden geïndiceerd in de vorm van individuele uren (basiszorg en specialistische zorg). Het arrangementensysteem zou voor ons niet meer van toepassing zijn. De zorgplannen van de bewoners zijn in de loop van 2018 opgesteld en de WMO-herindicatiegesprekken zijn daarna geweest. Tot ieders tevredenheid, zo leek het.

Totdat onlangs de zgn. onderzoeksverslagen vanuit de indicatiestellers terugkwamen. Tot onze verbijstering zijn er uren geïndiceerd, die precies blijken te passen binnen de bandbreedte van het lichtste BW-arrangement en is geen enkele bewoner geïndiceerd met meer uren, passend bij het middelste arrangement. Dit ondanks alle zorginhoudelijk aangereikte argumenten. Bezwaarschriften zullen dus en masse komen.

Er rolt bovendien een gemiddeld uurtarief uit, waarvoor vrijwel geen enkele zorgleverancier meer in te kopen is. Als dan ook de uren niet goed – te laag – zijn geïndiceerd, dan vormt dit een rechtstreekse bedreiging voor het voortbestaan van je ouderinitiatief. Dit terwijl wij juist zoveel gemeentepolitieke steun van alle fracties hebben gekregen.

Tot slot rolden er ook ridicule indicatietermijnen uit, variërend van 9 maanden (!) t/m 1,5 jaar en alles wat daar tussen zit.

Afgelopen maandag hebben wij hierover een heftig gesprek met de gemeente gehad. De apen kwamen uit de mouw, met argumenten als “ja, de toestroom naar BW wordt zo groot, het is niet meer te betalen voor de gemeente”. En “de indicatiestellers hebben vooral naar het lichtste arrangement gekeken” en o ja. “Jullie hoeven het toch niet beter te hebben dan een instelling met ZIN”

Daar waar we meenden nu al weer een jaar lang in constructief overleg te zitten, de zorgvraag en bijbehorende uren van de bewoners leidend moesten zijn en niet gebonden aan een arrangement, blijkt het in de praktijk dus toch weer een platte bezuinigingsoperatie. Natuurlijk is het daarmee nog niet afgedaan, want we beraden ons op gemeentepolitieke en juridische stappen en het benaderen van de media.

Als deze verlagingen door worden gezet, komt het voortbestaan van het ouderinitiatief in gevaar omdat de kosten dan niet meer kunnen worden gedekt. Minder zorg inkopen betekent in feite dat men dan op ambulante zorg uit komt. En dat betekent voor onze bewoners niet passende en ontoereikende zorg.

Ad  6, 9 en 10:
We zijn al 4 jaar bezig helder te krijgen welke indicaties en budgetten er afgegeven gaan worden voor Beschermd wonen. De producten en tarieven zijn in korte tijd meerdere keren gewijzigd, waardoor we als ouderinitiatief in de bedrijfsvoering continue moet anticiperen op een zeer onzorgvuldig en onduidelijk beleid van de gemeente. Het inkopen van zorg (jaarlijkse zorgcontracten met de zorgverlener) vraagt continue rekening houden met de  bezuinigingen vanuit de gemeente.  Het anticiperen hierop en het niet volledig besteden van de PGB budgetten hebben uiteindelijk dan ook weer tot nog meer bezuinigingen geleidt bij de gemeente,  terwijl we bij het volledig inzetten van de budgetten als ouderinitiatief grote financiële risico’s lopen.

Het is niet duidelijk  welke criteria de gemeente hanteert bij het stellen van indicaties. Wanneer valt iemand onder een bepaalde omschrijving (het product) bijvoorbeeld zwaar, midden of plus. Daarbij wordt een screeningslijst  gehanteerd die niet passend is bij de doelgroep autisme.

We ontvangen geen verslaglegging van het  keukentafelgesprek met daarbij criteria op grond waarvan een indicatie wel of niet wordt afgegeven. Dus heb je geen informatie  van waaruit je een bezwaarprocedure kunt starten.

Ad 9:
De gemeente Eindhoven heeft besloten dat de huidige tarieven en de oude AWBZ indicaties vervallen en men een herindicatie nodig heeft. Dat betekent dat men een heel traject doorloopt waarbij op voorhand niet duidelijk is dat men zijn huidige passende zorg en pgb kan behouden. Er zijn indicaties afgegeven tot 31-3-2019. In februari hebben de pgb houders een brief gekregen van SVB met de waarschuwing dat er maar een pgb is tot 31 maart a.s. en zij contact op moeten nemen met hun gemeenten. Op dit moment (10 maart 2019) heeft nog niemand een nieuwe indicatie gekregen. Integendeel er moet zelfs een tweede keukentafelgesprek worden gevoerd omdat de gemeente eerst had aangegeven dat men zijn indicatie kan houden en er nu van uit gaat, dat het niet geval is, omdat men een nieuw “product” krijgt. Is er meer geld nodig dan het tarief dat verbonden is aan het nieuwe product, dan moet men dat onderbouwen via een pgb-plan.

Ad 10 e.a.:
Er wordt geen indicatie beschermd wonen afgegeven omdat persoon nog bij ouders woont en daar goed functioneert.  Geen professioneel zicht op hoe persoon zou functioneren bij volledig zelfstandig wonen. Persoon moet eerst vast lopen voordat een indicatie beschermd wonen wordt afgegeven of moet altijd onder de hoede van zijn ouders blijven.

Indicatie vervoer van iemand die woont binnen een ouderinitiatief wordt niet afgegeven omdat gemeente vindt dat ouders die bewoner wel op en neer naar de dagbestedingslocatie kunnen brengen. Dit omdat ouders dit tot nu toe hebben gedaan en de bewoner niet zelfstandig kan reizen. Netwerk moet die zorg blijven leveren volgens gemeente.

Indicatie bewoner loopt af per 1 jan. 2019, gemeente wil  opnieuw een keukentafelgesprek omdat ze eerder vonden dat bewoner met minder zorg toe zou kunnen. Omdat gemeente geen tijd heeft voor een gesprek en het nog onduidelijk is welke indicaties er in 2019 afgegeven kunnen gaan worden wordt de indicatie uiteindelijk net voor het einde van 2018 voor 2 maanden verlengd tot eind febr. 2019. Bewoner krijgt nog steeds te horen dat er  een keukentafelgesprek komt.  Na vele verzoeken wordt de indicatie uiteindelijk 3 dagen voor 1 maart 2019, alsnog administratief verlengd, dus zonder keukentafelgesprek. Bewoner heeft maanden in spanning gezeten omdat hij bang is dat hij niet de juiste indicatie krijgt om te kunnen blijven wonen in het ouderinitiatief. Ook een brief van de SVB dat de zorg gaat stoppen vanwege een ontbrekende beschikking vanuit de gemeente leidt tot erg veel onrust bij bewoner. Een jaar geleden heeft bij deze bewoner zich ook al een dergelijke situatie voorgedaan.

Bewoner heeft een indicatie Beschermd wonen en dagbesteding  met een geldigheidsduur tot april 2020 in PGB vorm. Omdat de gemeente de indicaties om gaat zetten per 1 april 2019 in nieuwe producten en tarieven wordt er gemeld dat dit administratief wordt afgehandeld zonder keukentafelgesprek. Indicatie Beschermd wonen wordt opnieuw afgegeven met ongeveer eenzelfde budget. Indicatie dagbesteding wordt afgeven met een veel lager budget. Gemeente heeft geen overleg met bewoner gehad. Bewoner kan een deel van de huidige dagbesteding die hij al jaren heeft en die door zou lopen tot april 2020, niet meer bekostigen met zijn PGB en zal dit deels af moeten gaan stoten. Gevolgen voor zijn welbevinden en maatschappelijke participatie.  Te weinig tijd om contracten met zorgaanbieders te beëindigen waardoor hij ook nog in de financiële problemen kan komen.

Bewoner heeft al jaren een indicatie dagbesteding met een vast budget PGB per maand geldig tot april 2020. Gemeente gaat andere producten en tarieven hanteren per 1 april 2019. Bewoner krijgt te horen dat dagbesteding alleen nog maar afgegeven wordt in groepsverband. Bewoner is extreem prikkelgevoelig en heeft al meerdere jaren individuele dagbesteding. Dit kan niet meer gecontinueerd worden omdat het budget alleen maar besteed mag worden als er in groepsverband dagbesteding wordt geboden. Ook het tarief wat bewoner zou kunnen krijgen gaat fors omlaag waardoor er zelfs geen individuele dagbesteding meer mogelijk is.

Bewoners binnen de overgangsregeling die al meerdere jaren eenzelfde bedrag voor beschermd wonen krijgen gebaseerd op het ouder budget vanuit de AWBZ moeten omgezet worden in nieuwe producten en tarieven. Gemeente werkt met standaardtarieven die lager zijn dan de oude tarieven uit de AWBZ. Bewoners die nu 5 jaar beschermd wonen, moeten nu  aan gaan tonen waarom ze meer budget nodig hebben om de zorg te kunnen continueren dan het budget dat de  gemeente voorstelt. Alle uren moeten gedetailleerd aangetoond worden, zelfs de collectieve en ongeplande uren (de 24 uurs zorg).

Klantmanager WMO voert een keukentafelgesprek met een bewoner en netwerk binnen een ouderinitiatief maar doet geen uitspraken. Gaat met haar bevindingen naar de Centrumgemeente die beoordelen welke punten nog verder uitgezocht moeten worden. Bewoner krijgt de vraag terug en moet nog erg veel zaken aan gaan tonen en verantwoorden terwijl dit in het keukentafelgesprek al uitvoerig besproken is en op papier is gezet. Reactie van bewoner wordt vervolgens naar Centrumgemeente gestuurd, die geven aan nu voldoende informatie te hebben en klantmanager van eigen gemeente moet uiteindelijk gaan bepalen welk product en budget een bewoner gaat krijgen. Vergt erg veel tijd en levert veel onrust voor bewoner op.

 Ad 11 en 12:
Twee kwetsbare, stressgevoelige mensen met autisme die, ondanks de begeleiding die ze hebben gekregen, binnenkort op straat  worden gezet door de woningbouwvereniging. Zowel de man als de vrouw heeft autisme, een Wajong-uitkering en ambulante begeleiding. Ze worden uit hun huis gezet wegens overlast die de buren ervaren. Buurtbemiddeling en de wijkagent zijn erbij betrokken geweest. Alle instanties die zij hebben benaderd, hebben aangegeven dat zij niets kunnen doen. Ze ervaren veel stress wat ook weer zorgt voor onderlinge ruzies waar de buren dan weer over klagen. De vrouw kan mogelijk (tijdelijk) bij een vriendin in een andere woonplaats terecht, maar dan verliest ze haar begeleiding. De veranderingen hierin zorgen ook weer voor extra stress. (NVA)

[1] indien men het maandbedrag van € 3.210 (prijspeil 2014) indexeert conform de NZA/CPB cijfers voor zorg, betekent dat:
2015  0,08% ( € 3.235,68)
2016  1,74% (€ 3.291,98)
2017  2,04% (€ 3.359,13)
2018  2,96% (€ 3.458,57)
2019 4,08 % (voorlopig) ( € 3.599,68) Terwijl er voor iemand buiten een wooninitiatief een halvering feitelijk plaatsvindt. Voor het element woontoeslag betekent dat van € 4000 naar € 4400 (conform Wlz)

 

Laat een reactie achter

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.