artikelen uit concept wetsvoorstel Wmo oktober 2013

artikelen uit concept wetsvoorstel Wmo oktober 2013

Concept wetsvoorstel Wmo artikel over het pgb: Artikel 2.3.6

1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

2. Een persoonsgebonden budget wordt slechts verstrekt, indien de cliënt:

a. naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een aanbieder niet passend is;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van goede kwaliteit zijn.

3. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

4. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren indien:

a. de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening;

b. het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.9, eerste lid, onderdeel a, d en e.

Over trekkingsrechten artikel 2.6.1.:

1. De Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voert namens de colleges de betalingenten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen colleges voor de uitvoering van daarbij aan te wijzen taken samenwerken met het oog op een doeltreffende, doelmatige en samenhangende uitvoering van aan de colleges bij of krachtens deze wet en andere wetten opgedragen taken. Bij die maatregel kunnen regels worden gesteld over de vorm van samenwerking.

3. De voordracht voor de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Memorie van toelichting:

3.7 Persoonsgebonden budget

Gemeenten hebben met het persoonsgebonden budget een goed instrument in handen om tot individueel maatwerk te komen en de cliënt zeggenschap te geven over de ondersteuning die hij ontvangt. Het persoonsgebonden budget maakt het voor mensen met een beperking mogelijk om de regie over hun eigen leven te behouden, zelf hun eigen leven in te richten en zelf zorgverleners uit te zoeken die hen helpen op tijdstippen die zij wensen. Budgethouders maken zelf werkafspraken en sturen zelf bij als de ondersteuning niet voldoende is. Met het persoonsgebonden budget kunnen nieuwe, niet door de gemeente gecontracteerde aanbieders worden gefinancierd, waarmee het persoonsgebonden budget een belangrijke functie vervult bij het bevorderen van innovatie in het beschikbare ondersteuningsaanbod.

Een cliënt die een maatwerkvoorziening krijgt toegekend heeft, als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, recht om te kiezen voor een persoonsgebonden budget. Het college heeft de plicht om, nadat in het onderzoek is vastgesteld dat iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, de betrokkene te informeren over de mogelijkheden om voor een persoonsgebonden budget te kiezen en over de gevolgen van die keuze. Hierbij heeft de gemeente de mogelijkheid om de budgethouder gericht cliëntondersteuning te bieden.

De regering vindt het noodzakelijk om –gelet op een aantal ontwikkelingen rond het persoonsgebonden budget in de afgelopen periode- voorwaarden te verbinden aan het recht om te kiezen voor een persoonsgebonden budget. Zo zijn er in de AWBZ mensen in de regeling terecht gekomen, zonder dat ze in staat zijn om de taken en verplichtingen die samenhangen met het persoonsgebonden budget goed te kunnen vervullen. Dit is ondermeer het gevolg van een gebrekkige voorlichting of een onvoldoende passend aanbod in natura. Ook is er in de afgelopen jaren sprake geweest van een onhoudbare uitgavenontwikkeling als gevolg van de aanzuigende werking die uitgaat van het persoonsgebonden budget; informele zorg om niet werd vervangen door zorg, geleverd door de zelfde persoon, gefinancierd met een persoonsgebonden budget. Bovendien is gebleken dat de kwaliteit soms ernstig te wensen overliet en was er het grote risico op fraude.

De voorwaarden, waaraan voldaan moet worden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen, zijn in het wetsvoorstel opgenomen. De eerste voorwaarde is dat het college de aanvrager in staat acht de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Uit het onderzoek zal moeten blijken of de budgethouder aan deze voorwaarde voldoet. De aanvrager kan zich ook laten vertegenwoordigen door iemand uit zijn sociale netwerk, een curator, een mentor of een gemachtigde. Het is niet de bedoeling dat de gemeente de kosten van de vertegenwoordiger, zoals bemiddelingsbureaus, financiert. Het persoonsgebonden budget is daar niet voor bedoeld.

De tweede voorwaarde is dat de aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod niet passend is in zijn specifieke situatie. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als ondersteuning niet goed vooraf is in te plannen, de ondersteuning op

ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden, als ondersteuning op verschillende locaties moet worden geleverd, als het noodzakelijk is om 24 uur ondersteuning op afroep te organiseren, of als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste zorgverlener moet worden geboden. Deze voorwaarde sluit aan bij persoonsgebonden budget- regeling in de AWBZ. In het door het CVZ ontwikkelde budgetplan moet worden toegelicht waarom er geen gebruik gemaakt kan worden van het gecontracteerde zorgaanbod.

De derde wettelijke voorwaarde is dat naar het oordeel van het college gewaarborgd is dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van goede kwaliteit zijn. Doordat de budgethouder zelf regie krijgt over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij zo nodig bijsturen. Het college kan met deze bepaling vooraf toetsen of de kwaliteit bij de betreffende budgethouder voldoende is gegarandeerd, door van de aanvrager te vragen, bijvoorbeeld in een persoonlijk budgetplan: waar hij zijn ondersteuning zal inkopen; op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid; en hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. De gemeente is vrij in de manier waarop zij hier invulling aan geeft. Zo kan een gemeente periodiek in gesprek gaan met de budgethouder over de behaalde resultaten met het persoonsgebonden budget of (steekproefsgewijs) toezicht houden op zorgverleners die door de budgethouders zijn gecontracteerd.

De gemeente kan in de verordening ook bepalen in welke situaties en onder welke voorwaarden de persoon aan wie de gemeente een persoonsgebonden budget verstrekt, de mogelijkheid heeft om voor zijn maatschappelijke ondersteuning personen in te schakelen uit zijn sociale netwerk. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie hij regelmatig contacten onderhoudt zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging etc.. Hiermee krijgt de gemeente de ruimte om te bepalen of zij het mogelijk wil maken dat een persoonsgebonden budget wordt ingezet om mensen uit het sociale netwerk van de betrokkene, financieel voor hun diensten te belonen. Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarvan met een persoonsgebonden budget beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de cliënt.

De gemeente mag een aanvraag voor een persoonsgebonden budget weigeren als de kosten van de persoonsgebonden budget gefinancierde voorziening duurder is dan de maatwerkvoorziening die de gemeente heeft gecontracteerd. Bij de beoordeling kan de gemeente meewegen dat inkoopvoordelen wegvallen en maatwerkvoorzieningen niet langer doelmatig exploiteerbaar zijn als te veel personen zelf ondersteuning inkopen met een persoonsgebonden budget. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij vervoersvoorzieningen of opvangvoorzieningen.

De gemeente moet in de verordening opnemen op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget in de gemeente wordt vastgesteld. Zo kan de gemeente in de verordening bijvoorbeeld opnemen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de

hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende soorten hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in hun verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp-ers zonder diploma’s e.d.). Op grond van artikel 2.3.5 is het college wel gehouden een tarief voor een persoonsgebonden budget vast te stellen dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie.

Naast deze voorwaarden wordt, ter voorkoming van misstanden en oneigenlijk gebruik en ter bescherming van de aanvrager, niet langer een geldbedrag op de rekening van de aanvrager verstrekt waaruit hij zelf betalingen kan doen en waarover vervolgens hij verantwoording moet afleggen. De gemeente stelt de cliënt een persoonsgebonden budget beschikbaar waaruit de Sociale Verzekeringsbank namens het college betalingen doet aan degenen die de aanvrager, na een toets door het college of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, heeft ingeschakeld. Op deze wijze is het mogelijk om te waarborgen dat de ingekochte ondersteuning of middelen kwalitatief van voldoende niveau zijn en wordt misbruik en oneigenlijk gebruik voorkomen. Naast de betalingen van de persoonsgebonden budgetten voert de Sociale Verzekeringsbank ook het hiermee verbonden budgetbeheer uit.

Het budget moet worden gezien als een subsidie. Dit betekent dat gemeenten in voorkomend geval uit hoofde van de Awb teveel of ten onrechte aan de aanbieder uitgekeerde bedragen bij dwangbevel van de cliënt kunnen terugvorderen. Op basis van het voorgaande is het in dit wetsvoorstel opgenomen persoonsgebonden budget van andere aard dan het persoonsgebonden budget dat in de Wmo is geregeld.

Artikelsgewijs deel; toelichting bij Artikel 2.3.6

eerste lid

Uitgangspunt is dat de cliënt een maatwerkvoorziening ‘in natura’ krijgt. De mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget bestaat echter, indien de aanvrager dit wenst. In dat geval krijgt de aanvrager een persoonsgebonden budget toegekend waarmee hij de mogelijkheid heeft zelf te bepalen bij wie de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen wil inkopen die tot de maatwerkvoorziening behoren. Er wordt geen bedrag aan de cliënt uitgekeerd waaruit hij zelf betalingen kan doen; er wordt hem een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld. Namens het college worden door de SVB betalingen verricht. Voor een trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het persoonsgebonden budget zoveel mogelijk te voorkomen. Aldus is gewaarborgd dat het persoonsgebonden budget slechts wordt besteed om diensten, activiteiten, roerende zaken of woningaanpassingen in te kopen die ertoe strekken betrokkene de ondersteuning te bieden die in de maatwerkvoorziening is opgenomen. De formulering ‘een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt’ duidt erop dat het persoonsgebonden budget toereikend moet zijn om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken.

tweede lid

Het wetsvoorstel kent de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget toegekend te krijgen, maar verbindt daaraan strenge voorwaarden. In het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, komt aan de orde in hoeverre de aanvrager in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget. Artikel 2.3.6, tweede lid, stelt het krijgen van een persoonsgebonden budget afhankelijk van drie voorwaarden; voorafgaand aan toekenning van het persoonsgebonden budget wordt getoetst of aan die voorwaarden is voldaan.

onderdeel a

Zo moet het college kunnen vaststellen dat de aanvrager – al dan niet met hulp van mensen uit zijn sociale netwerk – in staat is om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, zelf bij derden in te kunnen kopen. Het gaat daarbij om de vraag of hij, met de hulp van zijn omgeving, in voldoende mate in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. De cliënt moet immers een contract aangaan en dient daartoe bekwaam te zijn. Het gaat daarbij niet om het beheren van het persoonsgebonden budget zelf. Het college moet derhalve bij het toekennen van een persoonsgebonden budget de overtuiging hebben dat de cliënt de verantwoordelijkheden die komen kijken bij het inkopen van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, aankan. Indien de cliënt niet zelf in voldoende mate in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, kan iemand uit zijn sociale netwerk hem daarin bijstaan. Dit kunnen bijvoorbeeld de ouders van een minderjarige zijn, een buurman, een voogd etc. Ook de vertegenwoordiger van de cliënt (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht (nog) niet tot het sociale netwerk van de cliënt behoort, kan de cliënt ondersteunen bij het verantwoordelijk inkopen van de diensten hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren.

onderdeel b

Ook geldt als voorwaarde dat de cliënt zijn wens om de maatwerkvoorziening in plaats van ‘in natura’ door middel van een persoonsgebonden budget geleverd te krijgen omdat de maatwerkvoorziening in zijn ogen niet passend is, moet onderbouwen. Het volstaat niet eenvoudig mede te delen dat hij de ondersteuning van gecontracteerde aanbieders niet wenst. Om dit te doen, zal hij moeten aantonen dat hij zich voldoende heeft georiënteerd op de maatwerkvoorziening ‘in natura’ en moeten onderbouwen waarom deze niet passend is. Mogelijk kan het college de maatwerkvoorziening aanpassen of alsnog de gewenste aanbieder contracteren.

onderdeel c

Ten slotte worden eisen gesteld aan kwaliteit van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die met het persoonsgebonden budget worden ingekocht. Voor de maatwerkvoorziening zijn die eisen vastgelegd in de wet en de verordening (artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c). De gemeente zal zich ervan vergewissen dat er waarborgen zijn dat de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning goed is, hetgeen zowel voor de veiligheid van de cliёnt als voor de effectiviteit van de inzet van middelen van groot belang kan zijn.

derde lid

De cliёnt die aan de voorwaarden van het tweede lid voldoet (dit wordt vooraf getoetst), kan een persoonsgebonden budget krijgen. Wel krijgt de gemeente de bevoegdheid in de verordening te bepalen dat voor het inkopen van ondersteuning in het informele circuit, d.w.z. bij personen die behoren tot het sociale netwerk van de cliënt – nadere voorwaarden gelden. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat het persoonsgebonden budget alleen ingezet kan worden als de informele hulp goedkoper is dan formele hulp. De te stellen voorwaarden kunnen niet zover gaan dat het inschakelen van informele hulp geheel wordt uitgesloten.

vierde lid

Het kan om redenen van doelmatigheid niet wenselijk zijn een persoonsgebonden budget te verstrekken als de gemeente daardoor duurder uit zou zijn omdat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Om die reden kan de gemeente een cliënt een persoonsgebonden pgb weigeren (onderdeel a). Daarnaast heeft de gemeente op grond van onderdeel b de mogelijkheid om een cliënt een pgb te weigeren als de gemeente eerder een beslissing om een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden pgb te verstrekken heeft herzien of ingetrokken, omdat de cliënt toen onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.9, onderdeel a), niet voldeed aan de gestelde voorwaarden (artikel 2.3.9, onderdeel d) of de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikte (artikel 2.3.9, onderdeel e).

Laat een reactie achter

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.